SISUAtletiekunieIAAFVisionZ
 
slideshow
hor_menu.gif

 

Wat is ATLETIEK?
(onderstaand wordt eenvoudig weergegeven wat atletiek inhoudt)

Veel mensen denken dat atletiek alleen bestaat uit hardlopen, maar dat is absoluut niet het geval. Atletiek bestaat uit allerlei verschillende onderdelen en deze worden onderverdeeld in  3 hoofdgroepen, te weten:  lopen, springen en werpen. Omdat atletiek een sport is waarbij alleen de eigen prestatie telt, kan atletiek door iedereen gedaan worden. In alle leeftijdscategorieën van (7 t/m 70jaar) zijn er in Nederland meer dan 100.000 mensen bezig met atletiek op een manier die het beste bij haar of hem past. Je hoeft niet goed te zijn in de verschillende onderdelen, als je maar plezier in het sporten hebt.

Hieronder een beschrijving van de verschillende onderdelen.

 

LOPEN

Lopen zonder hindernissen gebeurt over verschillende afstanden. Deze variëren van 30 meter tot 100 kilometer. Tot en met de 400 meter praten we over de “sprint”. Van 400 tot 3000 meter is het de zgn. “middenafstand” en alles wat langer is noemen we “lange afstand”.

Het lopen met hindernissen kennen we in verschillende vormen. Het wordt gedaan als hordelopen, als steeple-chase en als cross.
Hordelopen
doen we op de atletiekbaan over horden die op verschillende hoogtes kunnen worden ingesteld. De afstand is maximaal 400 meter.
Steeple-chase
is een hindernisloop over 2000/3000 meter met zware - niet omvallende - hindernissen en een waterbak waar je overheen moet springen, maar waar je meestal natte voeten haalt.
De cross is een loop over een parkoers door een bos of over weilanden. Dit doen we meestal in de winter. Het is zwaar werk waarmee je in vorm komt voor de zomer.

Lopen in groepsverband noemen we ook wel estafette. Dit wordt gedaan over alle afstanden van 40 meter t/m 10 kilometer. Op de atletiekbaan doen we dit met 4 personen.

 

SPRINGEN

Het springen bestaat uit 4 onderdelen.
 
Verspringen: waarbij je zover mogelijk in een grote zandbak springt.
Hink-stapspringen: dit is eigenlijk een driesprong die bestaat uit een hink, een stap en een sprong. Landen doe je in dezelfde zandbak als bij het verspringen.
Hoogspringen: waarbij je zo hoog mogelijk over een lat springt en op een grote, dikke landingsmat neerkomt.
Polsstokhoogspringen: waarbij je met behulp van een stok zo hoog mogelijk probeert te springen, ook hier weer over een lat en dan op een hele grote, dikke landingsmat terechtkomt.

 

WERPEN

Het werpen bestaat uit 4 onderdelen.

 

Kogelstoten: hierbij is het de bedoeling dat je een ijzeren bal die een gewicht heeft van 1 t/m 7 kilo zover mogelijk wegstoot(duwt). Hoe zwaar de kogel is, is afhankelijk van je leeftijd.
Discuswerpen
: dit doe je met een schijf van 0,75 t/m 2 kilo. Door middel van een slingerworp probeer je zover mogelijk te komen.
Speerwerpen / balwerpen: dit doe je door na een aanloop een lange metalen stok (speer) met een scherpe punt en een gewicht van 400 tot 800 gram zover mogelijk weg te gooien. Omdat dit voor de jeugd t/m 12 jaar toch wel gevaarlijk is wordt daar bal geworpen met ballen van 130 tot 240 gram. Dit is een uitstekende vorm om het speerwerpen aan te leren. Het wordt bij de jeugd ook in wedstrijdvorm gedaan (balwerpen).
Kogelslingeren: De slingerkogels zit aan een stalen draad met handgreep en vanuit de slingerkooi is het de bedoeling deze zo ver mogelijk weg te slingeren. Vanaf  de C-junioren (15 jaar) wordt dit gedaan en ook hierbij is je leeftijd weer bepalend voor het gewicht van de slingerkogel.

 

Mogelijk heden te over zoals je ziet. De pupillen (t/m 12 jaar) trainen een beperkt aantal onderdelen. Meestal lopen (40 t/m 1000 meter), ver- en hoogspringen, kogelstoten en balwerpen en daarnaast de estafette. De jeugd van 12 t/m 15 jaar (D- en C junioren)  krijgt bij SISU nog een brede atletiekopleiding. D.w.z. alle onderdelen worden nog getraind, de onderdelen worden ten opzichte van de pupillen uitgebreid met o.a. hordelopen, hink-stapspringen, discuswerpen  een uitbreiding van de onderdelen. Na je 15e als je junior B wordt kun je je specialiseren. Je bent dan niet meer verplicht om alle onderdelen te doen, maar het mag natuurlijk wel. De warming-up en cooling-down gebeurt natuurlijk altijd gezamenlijk.  
Binnen de verschillende groepen trainen atleten die wedstrijdgericht bezig zijn, maar ook de recreatieve atleet kan op zijn/haar niveau meetrainen.

 

WANNEER KAN IK OP ATLETIEK EN HOE WERKT DAT?

Stel je bent tussen de 7 en 70 jaar en je wilt op atletiek. Het eenvoudigste is je sportkleding aantrekken en je voor de training melden op het uur waarop je trainen moet. (kijk hiervoor bij de trainingstijden van het zomerseizoen 2011) Voordat je echt lid wordt mag je eerst 4 keer gratis meedoen en ervaren hebt hoe het is. Natuurlijk is het erg  belangrijk dat je het LEUK vindt. Zoals al eerder gezegd is maakt het niet uit of je wel of niet goed bent.  Als je een aantal keren getraind hebt besluit je of je wel of geen lid wilt worden. Een aanmeldingsformulier krijg je dan van je trainer of je kunt het down-loaden.

Voor het aanmeldingsformulier klik "H I E R"